Geen categorie, Gesloten

Schrijven is NIET schrappen

Omdat ik dit najaar een cursus Zeer Korte Verhalen schrijven geef en ook nog eens vier workshops tijdens de campagne Nederland leest, ga ik bij de grootmeester van het ZKV, A.L.Snijders, in de leer. Zo beknopt als hij in zijn verhalen is, zo meanderend vertelt hij in deze masterclass. Het verrassende is dat Snijders, een schoolmeester in hart en nieren, nadat hij zeven zijpaden is ingeslagen, zonder met zijn oogleden te knipperen weer op de hoofdweg uitkomt; de luisteraar kijkt nog verdwaasd om zich heen, maar hij gaat voort exact op het punt waar hij van de route is afgeweken.
We krijgen geen uiteenzetting van wat een ZKV is of wat het niet is. De meester leest voor uit eigen werk en maakt ons deelgenoot van zijn overpeinzingen die hij schrijvend heeft gehad, de afwegingen die hij heeft gemaakt; hoe hij vertrokken is vanuit de werkelijkheid, waar die vervolgens ophoudt en zijn verbeelding het overneemt.
De oplettende luisteraar komt ondertussen toch van alles te weten over het genre. Het grootste misverstand dat er bestaat over het schrijven van korte stukjes bijvoorbeeld, is dat ze het residu zouden zijn van iets langers, dat wat er na veel schrappen is overgebleven. Snijders schrapt niet of nauwelijks. En aan herschrijven doet hij ook niet. Zelfs als hij vindt dat sommige zinnen voor verbetering vatbaar zijn. ‘Je moet fouten durven maken en ze bovendien durven laten staan.’ Hij vertelt hartstochtelijk het verhaal van de schilder Bonnard die nog met een paletje en een penseel verstopt onder een wijde jas naar het museum toog waar zijn werken geëxposeerd werden, om als niemand oplette ze bij te werken. ‘Zo ben ik dus niet,’ besluit de schrijver droog zijn exposé.

Een goed begin is niet heilig
Snijders deelt geenszins de opvatting dat het niets wordt met een verhaal als de eerste zin niet verpletterend is. ‘Nonsense,’ zegt hij. Ook is hij het hartgrondig met Tommy Wieringa eens dat ultrakorte verhalen geen titel zouden moeten hebben, omdat de lezer er dan zonder pardon in gegooid wordt, maar het laat onverlet dat hij zijn schrijfsels nog altijd allemaal een kop geeft.

Op de vraag van een deelnemer hoe híj een zeer kort verhaal zou moeten schrijven, luidt het onmiddellijke en heldere advies: ‘Niet als iemand anders.’
De lezer moet zich niet vervelen en het voordeel van een ZKV is dat hij daar de tijd niet voor krijgt.

De middag eindigt met een biecht: Snijders heeft het ZKV uitgevonden omdat hij niet beoordeeld wil worden. ‘Voordat je iets van mijn verhalen kunt vinden, zijn ze al afgelopen.’

Geen categorie, Gesloten

Subliem

In het Haags Gemeentemuseum bezoek ik de tentoonstelling van Mark Rothko. Het is druk. De kunstwerken concurreren met het langs paraderend publiek om mijn aandacht. Ik heb moeite om me te concentreren op het geëxposeerde. Totdat ik langs de zogenaamde kabinetten loop, waar een aantal werken apart hangt, elk in zijn eigen vertrek. Als ik mij omdraai – zoals je je kunt omdraaien wanneer je ogen in je rug voelt prikken – is daar dat doek in BLAUW en GROEN (Zonder Titel, 1957) dat mij aangaapt en een sensatie onder het middenrif bezorgt die ik alleen ken van verliefd worden op het eerste gezicht. Vastgelijmd aan het moment sta ik daar enkele minuten niet te begrijpen wat me overkomt. Dan spoed ik mij terug naar de ingang om een koptelefoon te bemachtigen en nogmaals een rondgang te maken, nu met tekst en uitleg.
Nu ik met één zintuig van de omgeving afgesneden ben, zie ik anders, scherper. De gids in mijn oor vertelt me dat Rothko kleur slechts gebruikte om ‘uitdrukking aan iets groters’ te geven. Kleur is het vehikel, de betekenisdrager, een middel om iets anders te laten doorschemeren. Wel, daar ben ik zojuist getuige van geweest.

Essentiële eigenschappen
Ik leer verder dat elk kunstwerk volgens Rothko zeven wezenlijke aspecten zou moeten bevatten: de dood, sensualiteit, spanning, ironie, speelsheid, vergankelijkheid & toeval, hoop. Ieder kunstwerk is het resultaat van de verhoudingen tussen deze kwaliteiten.

Een kunstwerk kan een schilderij zijn, maar evenzeer een verhaal of gedicht. Is dat pas geslaagd als het een unieke combinatie van genoemde eigenschappen bevat?
En kan de schrijver zich net zo van woorden bedienen als de schilder zich van kleur? Kan hij zijn woorden zó kiezen dat ze zich loszingen van hun feitelijke betekenis, sublimeren, en een doorkijkje bieden naar iets hogers? Is dat alleen aan de dichter voorbehouden of is een romanschrijver daartoe ook in staat?
In de catalogus lees ik dat Rothko’s werk appelleert aan de universele emoties. Daarin schuilt zeker een parallel met de literatuur. Personages worden levensecht wanneer hun menselijke emoties in het verhaal doorsijpelen en de lezer zich daardoor met hen kan identificeren. Geslaagde personages gunnen ons een nieuwe blik op de werkelijkheid, en een enkele keer op dat wat boven de werkelijkheid uitstijgt.